Een eeuw broederschap aan de Reest

Odd Fellow loges zijn er al sinds ongeveer 1730. In steeds wisselende organisatorische eenheden duiken ze op in de Engelse geschiedenis. Het symbool van de Odd Fellows, de drie verbonden schakels, wordt in die tijd geboren. Pas later in de 18e eeuw sluiten loges zich aaneen en ontstaan er Odd Fellow Orden. De oorsprong is onduidelijk: het is mogelijk dat de Odd Fellows een dissidente groep Vrijmetselaars zijn geweest. In die tijd was er namelijk veel onderlinge strijd binnen de Vrijmetselarij. Een andere verklaring is dat de leden zich niet konden aansluiten bij een bepaald gilde en zelf maar een organisatie oprichten om elkaar bij te kunnen staan in moeilijke tijden. De Engelse overheid bekeek deze groepen in de 18e en begin 19e eeuw met wantrouwen. De loges hanteerden namelijk eden en passeerwoorden en voor de buitenwereld was vaak moeilijk te zien wat zich daar nu afspeelde. Ook maakten de loges gebruik van vaste rituelen.

Hoe dan ook, aan het begin van de negentiende eeuw emigreerde de Londense Odd Fellow Thomas Wildey naar de Verenigde Staten. In Baltimore richtte hij in 1819 de eerste Odd Fellow loge op Amerikaanse bodem op, snel gevolgd door andere loges. Deze Orde, met de naam Independent Order of Odd Fellows, was buitengewoon succesvol. Rond 1860 waren 200.000 mannen lid. In 1910 waren dat er 2 miljoen. Mannen en vrouwen wel te verstaan, want in 1861 ontstonden de eerste loges voor vrouwen. De emancipatie begon bij de Odd Fellows vroeg, het was een erkenning voor het vele werk dat de vrouwen deden op maatschappelijk gebied.

De eerste Nederlandse Odd Fellow loge werd in 1877 in Amsterdam opgericht. Als in 1914 de Erica loge in Meppel  wordt opgericht is zij de 19e loge in Nederland. De tijd was er rijp voor: de periode van de Tachtigers met zijn nadruk op het individualisme maakte plaats voor een streven naar onderlinge verbondenheid. Vijftien jaar later waren er 50 loges in Nederland. De groei was enorm.

Toch waren met name de kerken niet enthousiast over het logewerk. Zowel de Katholieke als Gereformeerde kerk verzetten zich tegen de groei van de orde. Diverse Pauselijke encyclieken veroordelen de Vrijmetselaars en de Odd Fellows. De Gereformeerde kerk in Meppel vroeg in 1923 het oordeel van de Gereformeerde synode over een lidmaat, dat ook lid was van de Erica loge.

De Meppeler loge groeide echter voorspoedig. Zij vond in Roelof Houwink een unieke eerste voorzitter (Voorzittend Meester). In het boek wordt hij een alleskunner genoemd. Hij was de eerste secretaris van de Kamer van koophandel in Drenthe, ondernemer, schrijver, dichter, bekend en erkend amateurwetenschapper in de erfelijkheidsleer en nog veel meer. De Meppeler mannen die lid worden zijn vaak mannen met een eigen zaak of een vrij beroep, maar ook een onderwijzer is lid. Zo treedt  Moritz Lobstein, gemeenteraadslid en wethouder van Meppel, al vroeg toe tot de loge. De aantrekkingskracht was waarschijnlijk groot. Een rol speelde ongetwijfeld de net uitgebroken Eerste Wereldoorlog. Een organisatie die de Broederschap onder alle mensen voorop stelde was aantrekkelijk. Bovendien: de Orde was een Amerikaans fenomeen, ook dat kan aan de populariteit hebben bijgedragen. Het feit dat de loge aan maatschappelijke ondersteuning deed, was wellicht een derde reden om lid te worden.

Dit laatste zit als het ware in het DNA van de Orde. Stond in de beginjaren van de Orde in de harde maatschappij van Engeland en de Verenigde Staten de onderlinge steun nog voorop, later transformeerde dit naar het helpen van medemensen. De Erica loge hield zich in het begin bezig met het uitsturen van “bleekneusjes” naar vakantiekolonies, het inzamelen van goederen voor arme Weense gezinnen en het organiseren van uitjes voor kinderen uit arme gezinnen. Ook trad ze toe tot de Meppeler Armenraad en regelde ze o.a. de soepuitdeling in Meppel. Dit alles gebeurde, maar het werd niet aan de grote klok gehangen. Uitzonderlijk was dan ook het feit dat in 1920 in Het dagblad van het Noorden een klein artikeltje verscheen waarin uit de doeken werd gedaan welke organisaties door de Erica loge werden gesteund. Een kleine greep: Het Groene Kruis ontving fl 500 en  de Ver. tot ondersteuning van  behoeftige kraamvrouwen fl 100. Een en ander was natuurlijk een uitvloeisel van de doelstellingen die de Orde uitdroeg.

De Meppeler Courant omschrijft in 1914 het doel van de Odd Fellows als volgt:

Doel a. is het aankweeken, verspreiden en versterken van gevoelens van humaniteit bij de leden onderling  en tegenover medemenschen, zonder aanzien van rang en stand, politieke of godsdienstige richting. Doel b. het verlenen van zedelijken en zo mogelijk stoffelijken steun, het ondersteunen van weduwen, het verzorgen van weezen harer leeden. Doel c. het houden van lezingen over maatschappelijke onderwerpen waarbij godsdienst en politiek zijn uitgesloten.”

Een Odd Fellow uit 2014 zou zich moeiteloos hier nog steeds in kunnen herkennen. Is er dan niets veranderd? Wel degelijk. Odd Fellows zijn kinderen van deze tijd. De stoffelijke  steun is omgezet in andere vormen van maatschappelijk dienstbetoon waarbij de handen ook uit de mouwen worden gestoken. Verder is het accent verschoven naar de persoonlijke groei waarbij de ontwikkeling naar een evenwichtig en milder mens centraal staat. Of zoals de beginselverklaring het formuleert: Een die streeft naar het geven van vriendschap, het betrachten van (naasten) liefde en het zoeken naar waarheid. En naar de broederschap onder alle mensen.

Die broederschap was in de Tweede Wereldoorlog en de aanloop daar naar toe, ver te zoeken. De Duitsers, die niets moesten hebben van een internationale organisatie die streefde naar broederschap, verboden in 1940 de Orde en vernietigden de Odd Fellow infrastructuur. Gebouw en inventaris werden verkocht of vernietigd. De secretaris van de loge verbrandde in dat zelfde jaar het archief. Ook de 5 Joodse broederen van de loge liepen gevaar. Twee daarvan overleefden, samen met hun gezin, de oorlog niet. Dit alles werd de loge bijna fataal. Pas in 1948 kwam het tot een wederopstanding, maar wel heel aarzelend. Het logegebouw kwam door een beslissing van het Nederlands Beheersinstituut in 1947 weer in eigen bezit.   Pas in 1951 werd door ledenaanwas duidelijk dat de Erica loge de oorlog had overleefd. Vanaf dat jaar zijn de notulen van de zittingen weer beschikbaar.

Vooral gedurende de periode na de oorlog wordt er een ontwikkeling in gang gezet naar meer openheid. Tot in de zeventiger jaren weten naaste familieleden vaak niet dat vader lid is van de loge, laat staan de buren. Maar de tijden veranderen. In 1973 wordt een Jong Odd Fellow-club  (18-30 jarigen) in Meppel opgericht en krijgt onderdak in het toenmalige logegebouw aan de Emmastraat. In 2000 wordt een Odd Fellow loge voor vrouwen in Meppel opgericht en deze gaat inwonen bij de broederen en wel in het huidige pand aan de Julianastraat. Beide gebeurtenissen, maar ook maatschappelijke ontwikkelingen zorgen er voor dat de luiken open worden gezet. Het gaat met kleine stapjes, maar het proces is onomkeerbaar. Ook internationaal gaat de loge op pad. Er worden in de zestiger jaren banden aangeknoopt met Duitse en Deense loges. De loge groeit langzaam naar het aantal van ongeveer 55 leden nu.

Op maatschappelijk terrein heeft de loge in de eerste decades na de oorlog zich vooral beziggehouden met het uitsturen  van gehandicapte kinderen naar de Odd Fellow Invalide Kampen (OFINKA). Later zijn andere projecten ondersteund zoals de dr. Reijntjes dovenschool op Sri Lanka en andere activiteiten in  Peru, Pakistan, Nepal, Wit-Rusland en Indonesië. In de loop van de jaren vindt er een verschuiving plaats naar meer lokale activiteiten en van geld doneren naar zelf dingen doen.

Thans zijn er contacten met het paardrijcentrum voor gehandicapten “De Baander” in Meppel. Een aantal logeleden steekt daar daadwerkelijk de handen uit de mouwen met onderhoudswerkzaamheden en de verzorging van de groenvoorziening. Ook heeft de Ericaloge al jaren een band met het Verzorgingshuis “De Schiphorst” in Meppel. Er wordt door een vast team logebroederen voorgelezen aan de bewoners en met hen gezongen en gesjoeld. In het kader van haar 100-jarig bestaan spant de Loge zich in om aan “de nieuwe Schiphorst” een ontmoetingsplek in de tuin aan te bieden als een jubileumgeschenk.

In het laatste hoofdstuk van het boek wordt ingegaan op de volgende 25 jaar van de Erica loge. Niet bepaald logisch voor een boek dat zich bezighoudt met de geschiedenis. Het is een poging om op een futuristische wijze een blik te slaan in de toekomst. Waar liggen de kansen en de uitdagingen? Wat zal ons bezighouden in de komende jaren? De ervaring leert dat de loge zich kan  aanpassen aan de tijd waarbij de doelstellingen voortdurend vertaling behoeven. Of zoals in een van de laatste regels wordt gezegd:

Zijn de idealen van Thomas Wildey tijdgebonden? Nee. Zijn idealen, hoezeer ook door hun eigen tijd beïnvloed, zijn tijdloos: mensen hebben elkaar altijd nodig en het zoeken naar Waarheid is een blijvende opdracht.